Uit een brief van 30 juli 2006, geschreven in Menaggio:

Ben vandaag een beetje melancho.

Vanmorgen in alle vroegte (06:00 vertrokken) mijn liefste naar de luchthaven gebracht.
Hij komt over 10 dagen alweer terug en ik ben graag alleen, maar de eerste avond is altijd een beetje triest.
Het is rond zevenen en ik kijk zo maar wat rond. De overkant van het meer kleurt langzaam roze, de bergtoppen doorlopen een onbeschrijfelijk scala aan tinten en schaduwen.

Het meer vertoont patronen, variërend van zilvergrijs, via grijsgroen naar dor, verfrommeld aluminiumfolie. Wat het vooral oproept, is onmacht.

Onmacht om het zo op papier te zetten dat het de lezer net zo ontroert als mij.

Onmacht om het in muziek te vatten, zoals de grote componisten dat (soms) konden.

Onmacht om het, hoe dan ook, te vereeuwigen. Op doek of papier zou het kitsch worden (in mijn geval) en een foto toont alleen de banaliteit.

Vanmiddag zat ik, in de schaduw onder een luifel, naar de huid op mijn handen en voeten te kijken. Als ik mijn tenen omhoog trek of mijn vingers strek, vertoont die huid een soort patroon als van een zandvlakte waar de wind zijn sporen in achterliet. Of zoals het water kan rimpelen bij een niet te sterke wind, maar dan in miniatuur, fijner.

Eigenlijk best mooi, maar ook droevig.

De huid van een mens die ouder wordt en zich, a.h.w., van hem vervreemdt, alhoewel juist nu meer, langer, deel van die mens uitmakend dan ooit.

Want waar destijds een balk op een voet neerkwam, bevindt zich nu een droge deuk.
Waar ik ooit met de zaag uitschoot en mijn linkerhand verwondde, zie je nog een vaag litteken.
Waar de haan, rond mijn achtste, een stuk uit mijn been pikte, zit nog steeds een kuiltje, het litteken op mijn andere been herinnert aan een gemene schram van verroest prikkeldraad toen ik een jaar of 12 was.

De geschiedenis van een mens staat deels in z’n huid gegrift.